Over dichters en dichten


(verkorte versie van een rede uitgesproken op 8 maart 2013 ter gelegenheid van de presentatie van de dichtbundel van Wiely Philippens: ‘nne Kroétwis gezuëmerd tussen Zieëp en Berwijn)

vic

Dichters zijn rare mensen. Ze kijken anders. Terwijl mensen meestal kijken naar wat nodig en nuttig is, lijken dichters dat niet zo belangrijk te vinden. Die kijken naar wat mooi is, in deze wereld maar ook in andere werelden waar mensen gewoonlijk langs kijken, omdat ze wel wat beters te doen hebben. (Tenminste, dat denken ze.)

Van levensbelang
Dichters zijn vaak in hoger sferen, zitten te dromen, of kijken naar de sterren. Nu denkt u: “Mooi, ja, dat kijken naar de sterren. Dus laat die dichters dat maar doen, rare mensen, wij, gewone mensen, hebben belangrijker zaken aan ons hoofd.” Maar dan vergist u zich. Kijken naar de sterren is van levensbelang. Een dichteres die u vast wel kent, Annie M.G. Schmidt, zegt daarover het volgende:

De regenworm en zijn moeder

Er was een regenworm in Sneek
die altijd naar de sterren keek,
en fluisterde: hoe schoon, hoe schoon!
Zijn moeder zei: Doe toch gewoon,
kijk naar beneden naar de grond,
dat is normaal, dat is gezond,
kijk naar beneden, zoals ik.

En toen? Toen kwam de leeuwerik!
Het wormpje, dat naar boven staarde,
zag hem op tijd en kroop in d’aarde,
maar moe die naar beneden keek,
werd opgegeten (daar in Sneek).

Dus doe nooit wat je moeder zegt,
dan komt het allemaal terecht.

Annie Schmidt geeft in dit vers en passant wat kenmerken van dichters: ze zijn nogal tegendraads, gevoelig (voor schoonheid vooral, niet zo erg voor hun moeder). En: ze kunnen hun mond niet houden. Die regenworm fluistert “Hoe schoon, hoe schoon”, al is er niemand die hem wil horen.
Je ziet trouwens hoe het afloopt met mensen die negeren wat een dichter zegt…
(Mensen, ja. Of dacht u dat het echt over regenwormen gaat ?)

De dichter ziet
Dat kijken is dus belangrijk voor dichters. En horen. En voelen, ruiken, proeven ook. Maar kijken dus zeker niet het minst. Net als voor fotografen. Een foto – een gedicht – is een weergave van wat de fotograaf – de dichter – ziet. Net als een gedicht is een foto een momentopname, die toch een ‘breder beeld’ geeft dan alleen dat moment.
Net als een gedicht laat een foto ook dingen zien die eigenlijk niet op de foto staan (of in het gedicht, dus). Iets wat de kijker of lezer zelf meestal goed weet in te vullen.

redevic
Victor Spauwen

Tegendraads en gevoelig
Over die dichter – de mens die dicht, zij het man of vrouw; Annie Schmidt zei het al: dichters zijn tegendraads, gevoelig, en ze kunnen hun mond niet houden. Ze hebben het hart op de tong, zo lijkt het. Ze laten horen – of lezen – wat ze voelen. Ze leggen hun zieltje bloot. Dat kunt u zielig vinden, maar ze hebben wel lef. Er is moed voor nodig om te schrijven wat je emoties zijn, wat je raakt, ont-roert. Er is durf voor nodig om je te laten kennen, om te laten zien wat er in je omgaat. Moed om te laten zien hoe je bent, om je diepste zelf bloot te geven. Dichters zéggen wat ze voelen. Dat is toch zo ? Of…? Tegenspraak en paradoxen, dichters zitten er vol mee. Gedichten ook.

Er staat niet wat er staat
Een gedicht is meerduidig. Dingen die erin gezegd worden, kun je op verschillende manieren zien, afhankelijk van je eigen persoon, je eigen ervaring, je eigen wensen. Dat is een kenmerk van literatuur, van kunst in het algemeen. Gedichten hebben meer betekenislagen, bij het zorgvuldig lezen zie je die, en meestal steeds beter als je ze vaker leest.

Te groot voor taal
Er wordt wel eens gezegd dat gedichten, maar ook proza, altijd over maar twee dingen gaan: liefde en dood. Dat zijn de enige thema’s waar de literatuur over schrijft. Liefde en dood omvatten alles: het hele leven en alle emoties die daarbij horen. Nu is dat allemaal – de liefde, de dood, het leven en vaak ook een emotie – te groot voor taal, en moeilijk in taal uit te drukken: daarom is beeldende en meerduidige taal nodig. Die wordt gebruikt om te beschrijven, soms ‘aan te wijzen’ wat je wilt zeggen. Het zijn zaken waarbij je vaak ook moet zwijgen, waar je niets van kunt zeggen in taal. Dan val je even stil en laat je een stuk van de bladzijde wit.

Als een muziekstuk
Je ziet meteen dat iets een gedicht is: het heeft regels en strofen. Als het wordt voorgedragen, kun je het ook (nog op enige afstand) horen: je hoort (meestal) het eind van de regel. Trouwens: een gedicht liefst altijd hardop lezen, dan komt het beter tot zijn recht.
Dat heeft ook te maken met metrum en ritme. Dikwijls bepaalt het metrum de regellengte. Metrum is belangrijk, maar ritme is onmisbaar in poëzie. Een gedicht is te vergelijken met een muziekstuk. In een gedicht is bijna altijd méér klank te horen dan in proza. Klank brengt zijn eigen betekenis mee.

Dichten is werken
Tot slot over het dichten. Hoe gaat dat, gedichten schrijven?  Zoals alle werk, soms lekker vlot, dan weer is het zwoegen en zweten. Er is om te beginnen een inval, inspiratie nodig (bij gelegenheidsgedichten moet je daar soms toch op wachten). En die komt vaak ’s morgens, of ’s nachts. Dan ben je los van de dagelijkse beslommeringen en kijk, voel, zie je anders.
In ieder geval moet je ‘het’ op je af durven laten komen. Je kunt het niet dwingen. Maar heb je wat, dan kun je eraan schaven, erin schrappen, tot vorm en inhoud zo goed mogelijk kloppen met elkaar. Uiteindelijk is de dichter vrij en beslist hij alleen hoe hij het maakt.

Waarom we dichten
Is het nou zinvol, gedichten schrijven? Het draagt bij aan een cultuur. Het kan leuk zijn om te spelen met taal. En als mensen herkennen wat je wilt zeggen, geeft dat voldoening. Maar vooral: als je dicht ben je voor je gevoel bezig met wezenlijke zaken, met de zin van het bestaan zelfs. Dus ja, het is een zinvolle bezigheid.

wiely
Wiely Philippens met de wethouder van Cultuur, Bisscheroux, van de gemeente Eijsden-Margraten

Terug naar boven

Advertisements